Architectuur

Gentse UCO-toren: vergeten modernisme

23 augustus 2017

Elke editie van ABSoluut magazine gaan twee kenners in gesprek over Belgische architectuur. Dit keer trekken Anton Gonnissen, zaakvoerder van ABS Bouwteam en uitgever van dit magazine, en architect Patrick Lefebure naar het UCO-gebouw aka het Bellevuecomplex in Gent. Patrick is oprichter van Archipl, een Gentse ontwerpgroep van een tiental architecten die werken rond zeer uiteenlopende opdrachten en thema’s, zoals herbestemming, restauratie, patrimonium, gezondheid en werkplekken. Zijn keuze voor het UCO illustreert perfect zijn missie als architect: het creëren van architectuur met maatschappelijke relevantie.

 

Is architectuur meer dan de vorm an sich? Daar heeft de Gentse architect Patrick Lefebure een duidelijk antwoord op. “Een architect heeft ook de verantwoordelijkheid om de stad met de grootste deontologische zin voor levenskwaliteit te ontwikkelen.” Anton Gonnissen is dan weer een ontwikkelaar met een persoonlijke liefde voor Gent en een goede ruimtelijke ordening ervan. Het duo, studiebroeders van 1979 tot 1981 in het Hoger Architectuurinstituut Sint-Lucas Gent, ontmoette elkaar in het UCO, een ondergewaardeerde, modernistische parel die bij het binnenrijden van de Arteveldestad meteen de toon zet.

“Het UCO is exact even oud als mij”, begint architect Patrick Lefebure. “In februari 1958 werd het ontwerp ingediend en dat werd ook meteen goedgekeurd. De gedachte dat de krijtlijnen van dit icoon en enkele maanden later ook het gebouw zelf er zijn en staan sinds mijn geboorte, zet aan tot reflectie. De stad, de tijdsgeest en de omgeving zijn sindsdien zoveel veranderd en tegelijk is ook het gebouw lichtjes gemuteerd, zeg maar. Dat boeit me mateloos. De evolutie van het hoofdgebouw is doorheen de jaren nochtans heel subtiel gebeurd, want als kantoorruimte is het een star en monofunctioneel bouwwerk. Dat geeft ook niet, want de vorm, ligging en compositie maken het DNA ervan ijzersterk.” Het was baron Emile Braun, gedelegeerd bestuurder van het Gentse textielbaken Union Cotonniëre (UCO), die de Duitse architecten Theodor Kelter en H. Feltes de opdracht gaf voor de bouw van het Bellevuecomplex. Braun was geïnspireerd door het modernistische kantoorgebouw dat het architectenduo in Karlsruhe had gerealiseerd, koos voor een toplocatie langs de verkeersas Oostende-Brussel/Antwerpen-Rijsel en liet er duidelijk geen gras over groeien. Eind juli 1958 werden de laatste palen ingeplant.

Het gebouwencomplex is een grote vierhoek met een basis van ongeveer 100 meter. Het hoofdgebouw heeft een hoogte van 50 meter en lijkt te zweven boven zijn basis. Patrick: “Precies een doos op poten. De voor- en achtergevel zijn de eerste vliesgevels in Vlaanderen en maken deze constructie uniek. De noord-zuidoriëntatie, met aan de noordzijde uitzicht op de stad en aan de zuidzijde een panoramische view, is magnifiek. Het vooraanzicht volgt parallel de autoweg die het verkeer haast letterlijk in het centrum van Gent spuwt. Een dolk recht in het hart van de stad, zouden tegenstanders zeggen. Het viaduct is in het licht van het Gentse mobiliteitsplan tegenwoordig controversieel, maar we moeten ook kunnen toegeven dat de fly-over ongelooflijk mooi is. Als je vanop een afstand naar de afgeronde betonkolommen kijkt, zie je modernistische sculpturen met een allesverbindende zwevende betonplaat. Ook het UCO zweeft op pilaren. Wat een harmonie tussen die twee. Het idee leeft om de fly-over te slopen, maar ik pleit om via ontwerpend onderzoek een nieuwe bestemming te zoeken voor deze zwevende parel.”

Kasteeltje op 11de verdieping
De eerste verandering aan het gebouw liet niet lang op zich wachten. Nog tijdens de bouw werd opdracht gegeven om de hoogste verdieping aanzienlijk te verhogen. Baron Braun had zich duidelijk laten verleiden door de troeven van het bouwwerk en nam er zijn intrek. Patrick: “Braun maakte van de bovenste verdieping zijn woning. Net als vele andere textielbaronnen had hij een kasteeltje buiten het stadscentrum, in Heusden meerbepaald, maar blijkbaar ruilde hij het van tijd tot tijd voor een verblijf op het dak van Gent. En zelfs al werd de rest van het Bellevuecomplex met iconisch Knoll-meubilair ingericht, hij bleef eigenzinnig met een been in de achttiende-eeuwse interieurvormgeving steken. Hij kocht lambrisering uit een oud Frans kasteel, hing zijn wandtapijten op, installeerde een glazen orangerie en voelde zich de koning te rijk. Vreemd genoeg bleek die clash te werken. Ik hou wel van zijn stoutmoedigheid. Braun vond iets leuk, hij wilde het hebben en hij kreeg het, zo lijkt het wel. Hij bouwde het UCO niet als pronkstuk. Het functionele en het praktische primeerden en hij liet zich daarbij leiden door zijn eigen smaak. In dat opzicht was hij een rasechte Gentenaar. Maar een Gentenaar is ook nuchter en daardoor missen we soms wel wat fierheid, vind ik. We mogen best trots zijn op onze stadsarchitectuur, zeker op de hedendaagse bouwwerken. Ze tonen zich met weinig franjes en zijn zeer direct in gestalte. Kijk maar naar De Krook. Ook dat is een gebouw met ballen aan het lijf en wellicht hebben de Gentenaars het daarom meteen in de armen gesloten.”

Ruim veertig jaar was het UCO een gave en toonaangevende kantoorrealisatie binnen het Gentse naoorlogse architectuurlandschap. Het gebouw oversteeg het niveau van vele inspiratieloze constructies door de wijze waarop de verschillende delen zich tot elkaar verhielden. Elk afzonderlijk deel van het programma, zoals de inkomhal, de kantoren, de weverij, … kreeg een afzonderlijk volume in een zuivere modernistische stijl. In 1991 zorgde Jo Crepain voor een toevoeging en vanaf 2002 onderging de site ingrijpende wijzigingen. In dat jaar werden zelfs alle oude gebouwen uit de 19de eeuw gesloopt en werden er twee nieuwe torengebouwen geplaatst. Zowel de overdekte gaanderij met karakteristieke V-pijlers als het bijgebouw nabij de ingang van de tunnel sneuvelden. Anton: “Die nieuwe torens leken wel een soort van visuele concurrentie te willen aangaan met het UCO, heel jammer. Het illustreert perfect de ontwerpmethodiek uit de jaren tachtig, waarbij men ervan uitging dat alles moest verbonden worden en een niet-aflatende zoektocht naar integratie opzette. Ik denk dat het gebouw daar zijn huidige anonimiteit aan te danken heeft. Het komt gewoon niet meer tot zijn recht en dat is spijtig. Ook de materiaalkeuze tijdens de noodzakelijke renovatie door de huidige eigenaar doet wat afbraak aan het iconische karakter van het oorspronkelijke gebouw. Zo moest de vliesgevel bijvoorbeeld worden vervangen, helaas.”

Mutatie met meerwaarde
Tegenwoordig heeft het internationale accountancybureau Mazars een vaste stek op het Braun-verdiep van het UCO, helemaal bovenaan op de 11de etage. In 2013 schreven zij drie architecten aan met de opdracht om het salon te herinterpreteren en in vier te verdelen, zodat elke vennoot een stukje in gebruik zou kunnen nemen. Ook Lefebure kreeg de vraag voorgeschoteld, maar hij weigerde. “Ik vond het geen goed idee om een bouwwerk dat eigenlijk de titel van erfgoed zou moeten krijgen, te verminken. Als je een renovatie kan doen met een link naar het verleden, naar de oorspronkelijke context, dan krijg je een mutatie met meerwaarde. Dat heb ik ook uitgelegd in een brief aan het Mazars-team. Gelukkig zagen ze dit uiteindelijk ook in en heb ik mijn visie in praktijk mogen brengen. Daar waar de lambriseringen van Braun in twee derden van de ruimte plots stopten, heb ik de ruimte als het ware tot halfweg naar binnen geplooid. Aan de ene zijde heb je nu een moderne vergaderzaal met een fenomenaal uitzicht en aan de andere kant een intiem salon/bibliotheek waar meetings niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk op het hoogste niveau kunnen doorgaan. En zowel de vennoten als de klanten kunnen er samen of om de beurt gebruik van maken. Verdelen in vier is dus niet aan de orde. De bovenste verdieping is een relict van een visie van een man die Gent mee heeft gestuurd en als hedendaagse renovatie in een achttiende-eeuwse ruimte in een modernistisch gebouw blijft die ook overeind.”

Afkeer voor starchitecten
De renovatie door Lefebure illustreert niet alleen zijn visie als architect, ze verraadt ook zijn afkeer voor het fenomeen van de starchitecten. “Tijdens onze opleiding in de jaren tachtig werden we gevormd tot fantasie-architecten. Tot we afstudeerden, op een bureau terechtkwamen en met de realiteit geconfronteerd werden. Een architect zou minder aan de vorm moeten werken en meer aan de maatschappij moeten bouwen.” De architect als maatschappelijke vormgever: het is een stelling die ook Anton onderschrijft. “Je kan enorm veel veranderen door heel bewust architectuur op bepaalde plekken te gaan inplanten, mijn god, je zou zelfs het mobiliteitsprobleem kunnen oplossen. Het is een grote verantwoordelijkheid en het is niet evident, vooral omdat de man met de portefeuille niet altijd aan dezelfde kant van de lijn zit.” De oplossing ziet Patrick nochtans heel helder: “De kwaliteit van het leven wordt onder meer bepaald door de architectuur van onze omgeving, maar om die op de juiste manier te vormen, moet de architect soms te veel rekenschap afleggen aan zijn klandizie, de geldschieter. In dat spanningsveld schuilt de schoonheid maar ook de frustratie van architectuur. De architect van vandaag is een regisseur die alle sociale, economische en culturele aspecten bespeelt. Op die manier doet hij als het ware aan politiek, want dat is uiteindelijk niet meer of minder dan het verbeteren van de leefwereld.” Projectontwikkelaars zouden te veel in bruikbare vierkante meters rekenen en op die manier de onbruikbare ruimte verwaarlozen die het niveau van comfort van een woning of gebouw bepaalt. Het brengt Patrick bij de stelling dat de woonomgeving meer is dan de optelsom van woonfuncties. “We moeten dichter en compacter wonen, dat klopt, maar het idee om steeds kleiner te moeten wonen, kent duidelijk zijn limieten. Toen ik klein was, hadden we een tuin, een zolder en kelders waarin we speelden, waar onze verbeelding de vrije loop kreeg. Als we die schrappen bij gebrek aan geld of ruimte, doen we onszelf tekort, zeker als we met steeds meer in de stad moeten samenleven. Het zijn die onbruikbare vierkante meters die we mee moeten ontwerpen. Baron Braun was misschien bevoorrecht, maar hij koos voor de stad in plaats van een kasteel, hij combineerde wonen en werken, ging voor een uitzicht op de historische stad en liet een binnentuin aanleggen op 50 meter hoogte. Hij koos met andere woorden voor kwaliteiten die vandaag onveranderd zijn gebleven, woon- en leefwensen die we allemaal koesteren. We zijn als architect verplicht om deze te vertalen in onze projecten, want ze zijn de fundamenten van onze levenskwaliteit. Middelhoge gebouwen zullen een nieuwe standaard worden, maar de omslag naar echte hoogbouw zie ik niet gebeuren omdat dat in onze economische context onbetaalbaar is. Ruimtegebrek oplossen door de luchtruimte boven onze steden aan te spreken, is daarom een illusie.”

Architect als projectontwikkelaar
Volgens Anton zou het ook anders kunnen, namelijk als architecten worden opgeleid tot projectontwikkelaars en als ministers een diploma architectuur op zak zouden hebben. Dan pas zouden we de stad kunnen herscheppen tot een hedendaags baken waar levenscomfort, een heerlijke werkdynamiek en ruimte om samen te ontspannen, samenkomen. “De architect als projectontwikkelaar, het zou een onderdeel moeten worden in de opleiding. Het is ongehoord dat de ruimtelijke ordening van een stad wordt gestuurd door maximaal winstbejag zonder enige rekening te houden met de woonkwaliteit.” Om de daad bij het woord te voegen, zetten Archipl en ABS Bouwteam vandaag een project op dat hun gedeelde visie op architectuur en maatschappij perfect illustreert. In Sint-Denijs-Westrem ontwikkelen beide bedrijven een bouwproject met maatschappelijke meerwaarde. Anton: “We willen aantonen dat het mogelijk is om de uitdagingen van vandaag aan te pakken zonder afbreuk te doen aan onze ethische principes. De grens tussen projectontwikkelaar en architect is op dat moment niet meer duidelijk zichtbaar. En dat doet ook niet meer ter zake. Kwaliteit is prioriteit. Altijd.”

(foto Thomas De Bruyne – Cafeine)



Misschien vind je deze posts ook leuk

Geen reacties

Laat een reactie achter